Openbaring

Openbaring 3:9
Tegenstanders moeten Gods liefde erkennen

Ik zal mensen laten komen die bij satan horen, leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat Ik u heb liefgehad.

Zie, Ik geef uit de synagoge van de satan (enige) van de zeggenden zij Joden (te) zijn en niet zij zijn, maar zij liegen; zie, Ik zal maken hen dat zij komen en zich neerwerpen voor de voeten van u en zij weten dat Ik heb liefgehad u.

Er zijn gelovigen die niet weten wat Joden zijn.
Ze menen dat dit alle natuurlijke nakomelingen van Abraham zijn en dat dit op zijn beurt verbonden is met de wet (van de Sinaï) en haar ceremonies.
De apostel Paulus heeft met de zogenaamde Joden heel wat moeite gehad en ze hebben het evangelie dat hij aan de volken buiten Israël heeft gebracht, behoorlijk tegengewerkt.

Ook zogenaamde christelijke kerken eisen het predicaat ‘geestelijk Israël’ voor zich op.
Ze geven daarom een natuurlijke en wettische tint aan hun ‘christendom’.
Zij dopen (beter: besprenkelen) kleine en onwetende kinderen.
Ook voelen ze zich geestelijk heel nauw verbonden met hun voorgeslacht.
Ze hechten waarde aan de wetsvoorlezing of het houden van de sabbat of zondag en ze persen het geloofsleven in een keurslijf van instellingen, tradities en systemen.

Jezus heeft het hier over een synagoge van satan, dat is een schijn- of tegengemeente die door leugengeesten of religieuze demonen geleid wordt.
Paulus stelt dan ook heel duidelijk:
Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis.
Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis.
Het is het werk van de geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God
(Romeinen 2:28-29).

In de stad Filadelfia zien veel mensen die zich volgens hun traditie Jood noemen of voelen, dat de zonen van God zichtbaar worden in deze vroegchristelijke gemeente.
Ze zien voor hun ogen de ontwikkeling van Gods volk tot elk goed werk volmaakt toegerust (zie 2 Timoteüs 3:17) plaatsvinden.
Dit volk krijgt uit de schatkamer van Gods heilige geest de ene liefdegave van God na de andere en ontwikkelt deze.

De Joden die eerlijk zijn komen tot de overtuiging: niet wat wij hebben is juist, maar dít is het!
Vanuit dit nieuwe inzicht gaan ze over tot actie!
Ze erkennen dat ze verblind zijn door de dwalingen van het jodendom.
En in hun honger en dorst naar dezelfde rechtvaardigheid en heerlijkheid van de christelijke gemeente laten ze zich aan de voeten vallen van deze mensen die bij God horen.
Zo laten ze zien dat ze inzien en erkennen dat in deze zonen van God zijn liefde openbaar geworden is.
En daarvoor hebben ze diep ontzag!
Voor hen wordt Psalm 5:8 realiteit:
Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel.