Openbaring

Openbaring 6:5-6
Omkomen door geestelijke honger

Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: ‘Kom!’
Ik zag dit: een zwart paard met een ruiter, die een weegschaal in zijn hand hield.
Te midden van de vier wezens hoorde ik iets als een stem zeggen:
‘Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst.
Maar laat wijn en olijfolie ongemoeid.’

En toen Het opende het derde zegel hoorde ik het derde levende wezen zeggende: kom en kijk en ik zag en zie (een) paard zwart en de zittende op het hebbende (een) weegschaal in de hand van hem.
En ik hoorde (een) stem in (het) midden van de vier levende wezens zeggende: (een) maat van tarwe voor een denarius en drie maten van gerst voor een denarius en de olie en de wijn niet u moet beschadigen.

De ruiter op het witte paard geeft de mens het leven, omdat hij als het woord van God het brood uitdeelt dat leven geeft.
Maar de schijngemeente doet de massa van geestelijke honger omkomen.
Eeuwenlang heeft men de Bijbel aan de zogenaamde leken onthouden.
Er zijn zelfs tijden waarin de naam ‘Bijbel’ onbekend is of alleen in verband met het oude testament gebruikt wordt.
De eerste Bijbel die in het Nederlands gedrukt wordt, mist het nieuwe testament, het boek van de psalmen en de profetische boeken.
Is het wonder dat onnoemelijk veel christenen in de grootste duisternis hebben geleefd en trouwens nu nog leven?

De reformatie geeft het volk de Bijbel weer terug.
Het licht kan dan weer schijnen, maar al snel komen daarna de belijdenisgeschriften waarmee men moet instemmen.
Zo ontstaat de ‘leer van de vaderen’ en de doden regelen als het ware in het vervolg de inzichten en de visies van de levenden.
Doordat men altijd met de uitspraken van de reformatoren moet instemmen, wordt het levende woord van God afgeremd in zijn verdere ontwikkeling, dus steriel gemaakt.
Zo verleent men in vrijwel alle kerken, groepen en bewegingen gezag aan de inzichten van gestorven ‘heiligen’ die in hun tijd hebben geleefd bij de inzichten van toen.

In Psalm 104:27 wordt van God gezegd dat Hij ons voedsel geeft op de juiste tijd.
Wij zetten ons in het geestelijke leven daarom niet tegen ons voorgeslacht af.
Ook discrimineren wij hen niet om wat zij in hun tijd, op grond van hun toenmalige inzichten hebben gezegd of gedaan.
Maar wie gaat ploegen en steeds áchterom kijkt, is niet geschikt voor het koninkrijk van God (zie Lucas 9:62) omdat hij dan geen zicht heeft op het doel van God, dat vóór hem ligt.

Onze voorouders hebben zich moeten behelpen en ze hebben geestelijk honger geleden.
Ze hebben veel problemen niet kunnen oplossen en ze hebben hun kinderen geen visie kunnen (door-) geven op het koninkrijk van de hemel, de geestelijke wereld.
Dit openbaart zich in vrede, gerechtigheid, blijdschap en kracht, wat zij maar voor een klein deel ervaren hebben.
Ernst, somberheid, plechtigheden en een negatief Gods- en mensbeeld hebben steeds de overhand (gehad).
Zij hebben dus mondjesmaat moeten leven:
Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst.

De ruiter op het zwarte paard is de topfunctionaris, de superintendant van de distributie.
Hij bepaalt dat aan het ‘kerkvolk’ meer níet dan wél geserveerd wordt.
Bovendien moeten ze ook nog eens veel over hebben voor het beetje wát ze nog krijgen.
De wetten van de schijngemeente leggen zware lasten op die geen of nauwelijks vrede en blijdschap geven.
Ook de rechtvaardigheid is bij hen ver te zoeken, omdat hen geleerd wordt dat ze toch maar zondaars blijven tot hun dood aan toe.
En dat ze zelfs een zondige natuur hebben, waar ze (dus) niet van af kúnnen komen, ook al zouden ze willen.
Af en toe is er in de geschiedenis sprake van een geestelijke ervaring en teert men lang op een klein moment van echt contact met God.
Maar voor het evangelie van het koninkrijk dat zich in de laatste dagen baanbreekt, is de belofte van toepassing die staat in Joël 2:24:
De dorsvloeren liggen weer vol met graan, de perskuipen lopen over van wijn en olie.

Toch worden alle eeuwen door de (olijf)olie en de wijn ongemoeid gelaten of mag hieraan, zoals in de grondtekst staat: geen schade worden toegebracht.
Olie en wijn zijn beelden van Gods heilige geest.
Waar het woord van God soms nauwelijks nog kan werken, houdt zijn geest het leven in stand.
Zoals in het oude Babylon aan de Eufraat het volk van God van het oude verbond heeft standgehouden, zo heeft ook in het nieuwtestamentische Babylon de echte gemeente in het verborgene doorgeleefd.
De doop in de geest van God, de gaven en de vrucht van de geest zijn altijd blijven bestaan, hoewel de ‘ketters’ die hierin geloven en ze toepassen, steeds te vuur en te zwaard worden vervolgd door de ‘officiële’ kerk.

De geschiedenis, de ontwikkeling van de gemeente kunnen we vergelijken met de groei van een plant.
Jezus zegt: De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar (Marcus 4:28).
De halm en de aar hebben het leven niet in zichzelf, maar ze geven dit alleen maar door.
Het leven zelf zit uitsluitend in de vrucht.
Als we de halm afsnijden verdort hij.
Maar als de vrucht rijp is, verliest hij elk contact met de moederplant en met de grond.
We kunnen de graankorrel daarna op zich bewaren en hij houdt het leven in zich.

Iedereen die bij het volk van God hoort en in Babylon is, krijgt het dringende advies:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Dit weggaan betekent niet een overgaan van de ene gemeente of kerk naar de andere, maar het grondig loslaten van een natuurlijk en op zichtbare dingen gericht geloofsleven.
Het is teruggaan naar het hemelse of geestelijke Jeruzalem, naar een geloofsleven dat zich richt op wat ‘boven’ is en niet op wat op ‘aarde’ is.

Kolossenzen 3:1-3:
Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God.
Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is.
U bent immers gestorven en uw leven ligt met Christus verborgen in God.