Openbaring

Openbaring 6:9-11
De wraak op de demonen

Toen het Lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. Ze riepen luid:
‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’
Ieder van hen kreeg witte kleren.
Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben.

En toen Het opende het vijfde zegel zag ik onder het altaar de zielen van de geslachten om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.
En zij riepen met (een) stem luide, zeggende: tot wanneer Meester heilige en waarachtige niet oordeelt U en wreekt U het bloed van ons aan de wonenden op de aarde?
En zij werden gegeven aan ieder gewaden witte en er werd gezegd tot hen dat zij rusten nog (een) tijd korte, totdat zij voltallig zullen zijn en de mededienstknechten van hen en de broeders van hen ze zullende gedood worden zoals ook zij.

Bij het openen van de eerste vier zegels horen we de vier dieren spreken.
Deze vier zegels hebben betrekking op de geestelijke wereld met haar uitwerking op de natuurlijke mens die niet met God leeft.
Ook is dit van invloed op de hele schepping, omdat de schijngemeente eeuwenlang ook haar herstel heeft tegengehouden.
Deze gemeente is niet gericht op het leven met Jezus Christus en zij geeft totaal niet om het plan van God.
Zoals gezegd, houdt ze zelfs ook de openbaring van de echte gemeente tegen door onderdrukking en vervolging.

Het vijfde zegel voert ons regelrecht in de onzichtbare wereld naar het altaar.
Daar is sprake van de zielen (dus van de innerlijke mens) van de martelaars die na hun lijden en sterven bij Christus zijn.
Ze zijn door het geweld van de schijngemeente aan hun eind gekomen, omdat ze altijd aan het woord van God en daarmee aan zijn plan hebben vastgehouden.
En waarvan ze ook hebben getuigd.
Het beeld is ontleend aan het brandofferaltaar waarop dieren worden geslacht en hun bloed, waarin het leven is, wordt opgevangen en uitgegoten aan de voet van het altaar (zie Leviticus 4:7).

Het bloed wordt dus niet verbrand.
De schijngemeente kan wel het lichaam doden, maar de zielen van de martelaars, hun innerlijke leven, zijn onaantastbaar.
Ook Jezus heeft zijn uitwendige leven opgeofferd en ook Hij heeft zijn leven uitgegoten in de dood (zie Jesaja 53:12 NBG).
Daarom is het altaar in de geestelijke wereld een symbool van Christus die de zondeschuld van de mensheid betaald heeft.
De zielen van de martelaars onderaan het altaar zijn verbonden met Hem doordat ze bij zijn Lichaam horen, de gemeente.

In de hemelse regionen hoort Johannes nu deze mensen God luid aanroepen.
Ze verlangen naar rechtvaardigheid en naar oordeel, dit is de definitieve scheiding tussen goed en kwaad.
Deze trouwe gelovigen vragen hun Heer hoe lang Hij de schijngemeente die aardsgericht is en die niet uit ‘hemelburgers’ bestaat, nog tolereert en haar ‘laat geworden’.
De vertaling ‘wreken’ kan misleidend zijn, omdat dit woord in onze taal niet alleen wordt gebruikt in de zin van ‘opkomen voor het recht’, maar ook van een meer emotioneel geladen handeling van vergelding.
Jezus zegt in onder andere Lucas 6:27 tegen ons dat wij onze vijanden zelfs moeten liefhebben en goed moeten doen aan hen die ons haten.

Ook in Romeinen 12:19-21 staat:
Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt:
Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden.
Maar als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken.
Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Daarom is het niet logisch en niet in de lijn van het volgen van Jezus, ook hierin, dat de martelaars om wraak roepen over hun vijanden die in feite ook maar misleide mensen zijn.
Zij verlangen naar de gerechtigheid van het koninkrijk van God en de voltooiing van zijn plan, waaraan ze zelf een (te) korte tijd hebben mogen meewerken.
Hun en onze echte vijanden zijn de demonen die hun vervolgers hebben geïnspireerd en tot geweld hebben aangezet.
God zal zich ‘wreken’ op déze vijanden door hun duisternis te verdrijven door zijn licht.

Zo worden de demonen machteloos en werkeloos en dat is de grootst mogelijke straf voor een geest, die immers altijd actief wil zijn.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Lucas 11:24:
Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats.
Maar als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.

Maar de Heer beloont en troost de martelaars door hun witte kleren te geven.
Deze zijn het symbool van hun geestelijke zuiverheid en heiligheid, in tegenstelling tot de vuile kleren door het geestelijke overspel van de schijngemeente.
Ook houden deze schone kleren verband met de daden die Jezus hun (en ons) heeft opgedragen te doen:
In mijn naam, of in mijn autoriteit of door mijn macht zullen de gelovigen daden van herstel verrichten, b.v. handen opleggen voor genezing, geestelijke talen spreken, demonen uitdrijven, enzovoort.
Zij zijn hierin actief geweest en zo hebben ze geweven aan hun geestelijke statuur, uitgebeeld door hun zuiver witte kleren.
Zie in dit verband ook 2 Korintiërs 5:1-6, waarin Paulus in een soortgelijk beeld zijn verlangen beschrijft om zijn geestelijke woning aan te trekken over zijn tijdelijke, aardse woning heen.

De Heer geeft hun daarbij de belofte dat het oordeel wel zal komen, maar dat ze nog even geduld moeten hebben.
Ze moeten nog een bepaalde korte tijd wachten op hun medemartelaars die eerst nog de door God bedoelde geestelijke volmaaktheid zullen bereiken.
Het koninkrijk van God ondergaat een groeiproces zoals een kleine zaadkorrel tot een grote plant uitgroeit.
In onder andere Matteüs 13:31-32 legt Jezus dit zo uit:
Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide.
Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten.
Het wordt een struik en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.

Na een bepaalde tijd ontstaat er altijd een bepaalde volheid, waarna weer een nieuwe periode in de ontwikkeling van het plan van God begint.
Deze tijden zijn nog verborgen bij God de Vader (zie Handelingen 1:7), maar ook wij zullen hier inzicht in krijgen, omdat de geest van God die in ons woont en werkt, ook deze diepten van God doorzoekt.
1 Korintiërs 2:10-12:
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens?
Zo is alleen de geest van God in staat om God te kennen.
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.

Bij de eerste opstanding worden deze martelaars met alle gelovigen die horen bij het lichaam van Christus, de gemeente, in een geestelijk lichaam opnieuw zichtbaar in de natuurlijke wereld.
Dan is hun bloed of hun leven niet langer bedekt of verborgen.
Hierover lezen we in Openbaring 20:4, waar onder hen die deel hebben aan de eerste opstanding en die op tronen gaan zitten, ook de zielen zijn van hen die onthoofd zijn om hun getuigen over Jezus en het woord van God.
Ze worden aangevuld met hen die het beest en zijn beeld niet hebben aanbeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en hun hand hebben gekregen.

In hun denken (hoofd) en doen (handen) hebben zij zich uitsluitend laten leiden door de geest van God en in geen enkel opzicht door de geest van de antichrist.

De scheiding met de schijngemeente heeft dan al plaatsgevonden en hun bloed is gewroken op hen die op de aarde wonen (de aardsgerichte schijngemeente).
Dit wil zeggen dat de demonen die dezen hebben geïnspireerd tot geweld en waaraan zij, om er beter van te worden, hebben toegegeven, volledig beslag op hen hebben gelegd.
Iedere vorm van ontferming en medelijden is hen vreemd geworden, ze zijn hard vanbinnen geworden.
Op hen is van toepassing Spreuken 1:1 NBG:
Wie zijn nek verhardt ondanks herhaalde vermaning, wordt opeens onherstelbaar gebroken.
Want in Openbaring 16:5-6 horen wij de engel ‘van al het water’ zeggen:
Rechtvaardig bent U, de heilige, die is en die was, omdat U op deze manier straft (of: oordeelt).
Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten en bloed laat U hen drinken.
Ze hebben het verdiend.

Als God uitstelt, is dit niet omdat Hij traag is, maar omdat Hij wacht op de kostbare vrucht van het land waarop de late regen gevallen is.
En God wacht … op het moment dat zijn vijanden (door zijn gemeente) voor Hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt (zie Hebreeën 10:13).