Openbaring

Openbaring 7:15-17
Gods erfenis voor ons

Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om Hem te vereren.
En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen.
Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen.
Want het Lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen.
En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.

Vanwege dit zijn zij voor het aangezicht van de troon van God en dienen zij Hem dag en nacht in de tempel van Hem; en de Zittende op de troon zal zijn tent opslaan over hen.
Niet zullen zij honger hebben meer en niet zullen zij dorst hebben meer en zeker niet zal vallen op hen de zon, noch enige hitte.
Omdat het Lam in het midden van de troon zal weiden hen en de weg zal wijzen hen naar levende bronnen van wateren en zal wegwissen God elke traan van de ogen van hen.

De weg van herstel en groei gaat ‘van het kruis naar de troon’, van de schuldvergeving en de rechtvaardigheid door het geloof naar de volkomenheid.
De troon van God is het symbool van zijn majesteit, macht en luister en hij berust op recht en gerechtigheid (zie Psalm 89:15) en liefde (zie Spreuken 20:28).
God is geest en we moeten dan ook niet denken dat ergens in het heelal een prachtige gouden troon staat waarop God zetelt.
Als we zeggen dat God op de troon is, bedoelen we daarmee dat Hij de Almachtige is die heerst over alles en iedereen, overal en altijd.

De gemeente van de laatste tijd staat voor de troon van God, dat wil zeggen dat zij met de heilige engelen uitvoering geeft aan zijn plan.
En dat ze daarbij gebruik mag maken van Gods macht en autoriteit: zijn heilige geest.
Zo openbaart de Almachtige zijn luister in de gemeente en door haar heen in de wereld.

Want de gemeente bestaat uit erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus.
Een deel van de erfenis bestaat hieruit dat ze niet meer zondigen en struikelen.
Dag en nacht, dus elk moment van hun bestaan, zijn zij in zijn tempel, dus in de onmiddellijke nabijheid van God en zo kunnen ze in nauwe verbinding met en vanuit Hem leven.
In heiligheid en liefde.

Jezus zegt in de Bergrede (Matteüs 5:6):
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.

Deze overwinnaars hebben het doel bereikt.
God zelf zal bij hen wonen of zoals de grondtekst zegt: zal zijn tent over hen opslaan.
De Psalmdichter heeft het al over dit wonen in de ‘tent van God’.
Het is een voortdurend verblijven in het lichaam van Christus: de gemeente.
Deze overwinnaars worden later uitgebeeld door levensbomen die geplant zijn aan de rivier met water dat leven geeft (zie Openbaring 22:1-2).
Zij staan in het paradijs van God (zie Openbaring 2:7), een andere uitdrukking voor de voltooide gemeente.

Deze onafzienbare menigte die uit de zware pressie als overwinnaars tevoorschijn komt, heeft zich verzadigd met het wezen van God.
Deze bomen van de Heer zuigen zich vol, zoals staat in Psalm 104:16; ze nemen Gods woord en geest volledig in zich op.
Langs deze weg hebben ze het geestelijke niveau van de Zoon bereikt.
Gods toorn, een uitdrukking voor de invloed van de duisternis, is van hen weggenomen en daarom valt de zon niet op hen en zullen ze niet bevangen worden door de hitte.
De demonen kunnen hen wel aanvallen, maar dat deert hen niet meer.

Ze zijn onkwetsbaar.
Satan komt op hen af en vindt in hen geen enkel aanknopingspunt meer!
De geest van God is in hen en zo leidt Hij hen.
Het Lam weidt hen en leidt hen naar de bronnen van water dat leven geeft.
Daarvoor geeft de Heer apostelen, profeten, herders en leraars.
Ze bereiken nu de mannelijke rijpheid, de statuur van Jezus Christus.
Efeziërs 4:11-13:
En Hij is het die apostelen heeft aangesteld en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren,
om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.
Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

Ze gaan zonder angst in hun hart deze laatste tijd tegemoet.
Want ze kunnen rekenen op wat Paulus zegt in Romeinen 8:37-39:
Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons heeft liefgehad.
Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

In deze tijd van zware demonische pressie is er veel lijden en leed op hen afgekomen.
Maar ze hebben het niet opgegeven en ze hebben de moed niet verloren.
Hebreeën 12:3:
Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich zo tegen Hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft.

Nu is de tijd gekomen dat satan hen heeft moeten loslaten.
Want ze hebben van God gekregen:
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister
(Jesaja 61:3).
De tranen worden van hun ogen gewist en aan wat er vroeger geweest is, zullen ze niet meer denken!