Openbaring

Openbaring 7:9
De geestelijke nakomelingen van Abraham

Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam.

Na deze (dingen) zag ik en zie (een) menigte grote, die tellen haar niemand kon, uit elke natie en stammen en volken en talen, staande voor het aangezicht van de troon en voor het aangezicht van het Lam, omhuld (met) gewaden witte en palmtakken in de handen van hen.

Nu ziet Johannes een ontelbare en onafzienbare menigte mensen afkomstig uit alle volken, rassen en taalgroepen.

De honderdvierenveertigduizend uit de stammen van Israël zijn dus het beeld van de gemeente van de laatste tijd die een enorme bloei en groei doormaakt.
In het laatste Bijbelboek gaat alles om Jezus Christus en zijn gemeente.
Niet het zichtbare Jeruzalem in het Midden-Oosten is nog van belang, maar het hemelse.
Niet de zichtbare tempel, maar de hemelse.
Niet het zichtbare altaar, maar het hemelse.
Zo is ook het zichtbare volk van het oude verbond de afbeelding of het schaduwbeeld van de hemelse gemeente in haar rijke en vele schakeringen in de geestelijke wereld.

Het plan van God vindt zijn vervulling in Christus en in zijn gemeente!
In Genesis 17:7 belooft God aan Abraham:
Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen.
Deze belofte is in de mens Jezus Christus vervuld.
Want in Galaten 3:16 staat:
Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling.
Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: je nakomeling – en die nakomeling is Christus.

Als wij ‘in Christus’ zijn, dus deel zijn van zijn gemeente of zijn lichaam, dan geldt deze belofte ook voor óns:
nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte (Galaten 3:29).
Alles wijst dus op de gemeente en niet op een natuurlijk volk.

Ook krijgt Abraham de belofte:
Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven en Ik zal hun God zijn (Genesis 17:8).
In Filippenzen 3:20 staat, dat wij burgers zijn van een geestelijk rijk, van waaruit wij ook onze Heer Jezus Christus als redder en hersteller verwachten.
Het gaat in deze tijd dus om een geestelijk ‘Kanaän’ dat door de gemeente moet worden gezuiverd van haar geestelijke vijanden: de demonen.
Ook belooft God aan Abraham:
… zal Ik je rijkelijk zegenen en je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen (Genesis 22:17).
Onze tekst heeft het over déze nakomelingen van Abraham, als over een onafzienbare menigte die niet te tellen is.

Tot slot belooft God aan Abraham:
Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken.
Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn
(Genesis 17:6).
Jezus is niet alleen de echte nakomeling van Abraham, maar Hij noemt zich ook de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).
Wie in Christus is, is een (geestelijke) nakomeling van Abraham en daarom een rechtvaardige.
Maar wie in Christus is, hoort ook bij het nageslacht van David en is daarom een geestelijke koning (zie ook 5:10).

Jezus zegt:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde (of: de voltooiing) komen (Matteüs 24:14).
Er is geen ander evangelie dan dat van Jezus Christus!
En het bekendmaken van het nieuws over dit koninkrijk door de zonen van God zal dezelfde uitwerking hebben als eerder gebeurd is door de Zoon van God.
Hij is ons voorbeeld en de gemeente zal in zijn voetsporen moeten gaan.
Zij staan, zoals ons vers aangeeft, voor de troon en voor het Lam.

De gemeente van Jezus Christus gaat zeker niet als een nachtkaars uit.
Integendeel: zij vormt in de laatste tijd een onafzienbare menigte van mannen en vrouwen die verzegeld zijn met Gods heilige geest die Hij beloofd heeft.
Deze verzegeling is een beeld van de doop in de geest van God en een steeds verdergaande vervulling met deze geest.
De gemeente doet het werk van Jezus Christus op aarde op dezelfde manier als Hij.
De belofte uit Johannes 14:12 wordt in de tijd van de voltooiing van alle dingen ingelost:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik en zelfs meer (grondtekst: grotere werken) dan dat, Ik ga immers naar de Vader.

De Heer bedoelt hiermee dat de zonen van God niet alleen het evangelie bekendmaken en wonderen van herstel verrichten, maar ook dat zij de handen op mensen zullen leggen voor de doop in Gods geest.
Dit hoort ook bij het grotere werk dat Jezus zelf op aarde niet heeft kunnen doen, omdat de geest van God dan nog niet beschikbaar is.
Johannes 7:38-39:
Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft, zo zegt de Schrift.
Hiermee doelde Hij op de geest die zij die in Hem geloofden zouden ontvangen;
de geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit verheven.

De onafzienbare menigte staat voor de troon.
Het gaat hier niet om overleden ‘heiligen’, om doden, maar om levenden.
Het gaat over een tijd waarvan God belooft dat Hij alle tranen van hun ogen zal wissen (zie vers 17).
Dit moet dan nog gebeuren.
Het gaat hier om een menigte gelovigen die nog volop in een geestelijke oorlog verwikkeld zijn.
Ze zitten nog niet als definitieve overwinnaars op de troon, maar ze staan er nog vóór.
Ze vechten nog en ze worden nog steeds onderdrukt.
Ze kijken vol aandacht, ontzag en verlangen naar Gods troon, dit is de grote macht en kracht van God en ze zeggen met Jesaja 9:6:
Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen.
Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid.
Daarvoor zal Hij zich beijveren, de Heer van de hemelse machten.

En waar zij onderdrukt worden door de pressie van de demonen, letten ze nauwgezet op de woorden van Jezus in Lucas 21:36:
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen.
De gemeente in deze oogsttijd is een grote menigte van overwinnaars.
Zij is niet (meer) overweldigd door de demonen, maar ze staat voor de troon en voor het Lam, de Mensenzoon.
Zo kunnen zijn kracht en zijn autoriteit door haar heen stromen.
Zij vormt de keurtroepen in de laatste strijd tussen licht en duisternis.
Het is niet in lijn met de Bijbel om te denken dat de Heer zijn gemeente wegneemt vóór de ‘grote verdrukking’ of ‘tijd van enorme verschrikkingen’, dit is de komende periode van een onvoorstelbare pressie door de demonen.
God neemt de overwinnaars niet weg vóór de oorlog, maar ná de overwinning!
Hoe zullen ze anders moeten kunnen overwinnen?

Voor hen geldt dan Openbaring 3:21:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.
Een verandering of groeiproces van ‘voor de troon’ naar ‘op de troon’, een geweldige promotie!
‘Bevorderd tot heerlijkheid …’!

De vrouw, symbool van de gemeente, heeft zich gereedgemaakt (zie Openbaring 19:7).
In deze periode van de voltooiing bereikt de gemeente haar volkomenheid.
De onafzienbare menigte is dan ook gekleed in en versierd met zuiver, stralend linnen.
Dit kleed van fijn linnen beeldt haar statuur van rechtvaardigheid en heiligheid uit, dit in tegenstelling tot de grote hoer Babylon die door ongerechtigheid en hoererij wordt gekenmerkt.

De gemeente van Jezus Christus kan met Jesaja 61:10 jubelen:
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.

Ook de NBG-vertaling drukt het mooi uit:
Ik verblijd mij zeer in de Heer,
mijn ziel juicht in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de kleding van het heil, met de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omhuld,
gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt,
en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.

Hieruit blijkt dat de gemeente, die uit rechtvaardigen bestaat, bezig geweest is met daden van herstel.
Net als Jezus dat heeft gedaan.

Deze grote menigte heeft zich losgemaakt van alles wat haar aan de zichtbare wereld kan binden.
Zij is eerst verzegeld met Gods heilige geest die Hij beloofd heeft en dan verricht zij daden van herstel en opbouw die door deze geest worden geïnspireerd.
Zo gaan de begaafdheden en de liefde van Gods geest in de gemeente functioneren, die onmisbaar zijn voor haar geestelijke groei en uitbreiding.

Ze hebben palmtakken in hun hand.
Eens wordt Jezus door de mensen begroet met palmtakken.
Hij wordt hiermee door hen dan vereerd als de koning van Israël (zie Johannes 12:13).
Johannes merkt bij deze gebeurtenis op dat deze huldiging niet het aardse maar het hemelse, geestelijke koningschap van Jezus betreft.
Zijn leerlingen begrepen dit eerst niet, maar later, toen Jezus tot majesteit verheven was, herinnerden ze zich dat dit over Hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was.
(Johannes 12:16).

De menigte uit alle landen en volken, van elke stam en taal brengt met haar palmtakken ook hulde aan de koning van het geestelijke Israël, de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).