Openbaring

Openbaring 8:1-2
De volledige wapenrusting van God

Toen het Lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, gedurende ongeveer een half uur.
Ik zag de zeven engelen die voor Gods troon staan.
Ze kregen alle zeven een bazuin.

En toen Hij opende het zegel zevende, ontstond er stilte in de hemel ongeveer (een) half uur.
En ik zag de zeven engelen, die voor het aangezicht van God staan en werden gegeven aan hen zeven bazuinen.

Het Lam van God verbreekt het zevende en laatste zegel van de boekrol.
Nu begint dus de laatste tijd, de dag van de Heer breekt aan.
Joël profeteert over deze tijd:
O angstwekkende dag!
Nabij is de dag van de Heer,
de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!
(Joël 1:15).

Het boek Openbaring behandelt niet de algemene wereldgeschiedenis.
Het beschrijft de ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus, die haar doel bereikt.
En ook beschrijft het de ontwikkeling van de schijngemeente die een prooi wordt van de demonen en die zó ten onder gaat.
Natuurlijk heeft dit zijn invloed op de wereldsituatie, op volken, naties en taalgebieden, omdat én de gemeente én de schijngemeente over de hele aarde verspreid zijn.

In het oude testament staat de geschiedenis van het volk Israël beschreven.
Maar ook die van de wereldmachten komt erin voor, voor zover zij in aanraking komen met Israël.
Het natuurlijke volk Israël heeft te maken gehad met natuurlijke vijanden.
De gemeente van Jezus Christus moet haar oorlogen in de onzichtbare wereld voeren.
Haar vijanden zijn niet van vlees en bloed, maar haar strijd is tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen (zie Efeziërs 6:12).
Het verheugende nieuws over het koninkrijk van God wordt door de gelovigen over de hele aarde bekendgemaakt.
Zij zullen hierbij zeker ook in aanraking en in conflict komen met de heersers en machthebbers die over volken en andere religies heersen.

Paulus adviseert in Efeziërs 6:13 om de ‘volledige (grondtekst) wapenrusting van God’ hiervoor aan te trekken, om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden (of grondtekst: tegenstand te kunnen bieden).
In de onzichtbare wereld ontstaat een oorlog zoals er nog nooit geweest is en er ook nooit meer zijn zal.
In de natuurlijke wereld worden de gevolgen hiervan zichtbaar in politiek, economie, maatschappij, natuur en (pervers) menselijk gedrag.

Ook zullen occulte religies grote invloed krijgen omdat veel mensen zich bezighouden met de geestelijke wereld, maar dan met de duistere kant ervan.
De geest en de ziel van de mens komen onder zware pressie te staan en van daaruit wordt het verwoestende werk van satan ook op aarde zichtbaar.
In deze strijd staan de gelovigen in elk opzicht onder de directe leiding van Gods geest.
De schijngemeente wordt uiteindelijk volledig aangestuurd door de geesten uit het rijk van satan, de religieuze en occulte demonen.

In Romeinen 8:11 zien we hoe het zichtbare de invloed ondergaat van het onzichtbare:
Want als de geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn geest, die in u leeft.
Waar Gods geest de leiding in een mens heeft, zal zijn sterfelijke (niet: zijn gestorven) lichaam ook functioneren naar de ingeschapen wetten of wetmatigheden van God.
Maar waar demonen heersen en werken, zal vanuit de innerlijke mens ook het lichaam aangetast worden.

In Openbaring 7:1-3 staat dat de vier winden in bedwang gehouden worden totdat de zonen van God verzegeld zijn met zijn geest die Hij beloofd heeft.
Voordat de storm ontketend wordt, is er een stilte van ongeveer een half uur in de onzichtbare wereld.
Tijd is geen factor in geestelijk opzicht, dus geeft dit een bepaalde korte periode aan die niet uit te drukken is in uren en minuten.
De schijngemeente ziet geen gevaar.

Paulus schrijft hierover:
Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het moment waarop dit zal gebeuren,
want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht.
Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën.
Vluchten is dan onmogelijk.
Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, want u bent allen kinderen van het licht en van de dag.
Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis …
(1 Tessalonicenzen 5:1-5).

De stilte van een half uur wijst op een bepaald ontwikkelingsproces waarin zowel het onkruid als de tarwe rijp worden.
Want de tarwe wordt rijp nadat de regens van voor- en najaar gevallen zijn, dat wil zeggen: als de gelovigen verzegeld zijn met de geest van God.
Tegelijk komt het onkruid zover dat het zijn duivelse vrucht kan zetten.
Hierna gaan de zeven engelen hun werk doen.
Jezus zegt hierover:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

De gemeente wordt dus niet opgenomen vóór de grote onderdrukking, anders moeten we de volgorde in de laatste zin van bovenstaande tekst omdraaien.
In Matteüs 13:49-50 lezen we:
Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden.
Er staat dus niet dat de rechtvaardigen uit het midden van de kwaadwilligen worden weggenomen door een opname van de gemeente.
De heilige engelen halen het goede deel binnen en de demonen het kwade deel.
In de grote onderdrukking verzamelen deze laatsten het onkruid.

De kwaadwilligen worden door de demonen overmeesterd en door dezen ‘meegezogen’ omdat ze zelf, op eigen initiatief, op een occulte manier contact zoeken met de duisternis.
Hierdoor ontstaat de scheiding.
De hoer is de bundeling van de mensen die zich overgeven aan anti-Goddelijke vormen van religie, die door satan worden geïnspireerd.
Als er gezegd wordt in Openbaring 18:4:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen,
betekent dit dus: laat je niet misleiden, dus afleiden van het doel van God, wanneer de demonen met hun leugens en intimidatie als een vloed over de aarde komen.

De bazuinen van de zeven engelen geven ons een indruk hoe het beeld van de vuuroven werkelijkheid wordt.
De oven is het beeld van de grote onderdrukking.
De vuuroven van Nebukadnezar wordt zó opgestookt dat de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego erin moeten gooien, alleen al door de hitte van het vuur omkomen.
Maar de drie vrienden zelf blijven ongeschonden in de oven.
Het vuur blijkt geen macht te hebben over hun lichamen, ja zelfs hun haren en hun jassen zijn niet geschroeid, er is zelfs geen brandlucht aan hen te bespeuren (zie Daniël 3:27).

Eens heeft een grote overstroming de aarde met water bedekt, maar Noach overleeft, met zijn familie in de ark.
Zo wordt na het verbreken van het zevende zegel de aardsgerichte religieuze mensheid overstroomd met geestelijk vuur.
Maar de echte zonen van God zijn in Christus, in de ‘ark van herstel’, de gemeente, veilig.
Want door de verzegeling met de heilige geest van God zijn zij in dit lichaam van Christus onaantastbaar: satan vindt bij hen niets, hij heeft geen macht over hen (zie Johannes 14:30).

De zeven bazuinen betekenen de periode van de ‘toorn van God en van het Lam’.
Zoals al eerder gezegd, is dit de periode waarin de zwaarste en felste demonen door de mens ontketend worden.
Zo kunnen zij de aardsgerichte schijngemeente overstromen als een ‘zondvloed’ (grote vloed) van vuur.
Voor Jezus heeft de dag van de toorn (of het ‘uur van de duisternis’) ingehouden dat Hij op Golgotha prijsgegeven wordt aan de demonen.
In de periode van de voltooiing van alle dingen, de laatste tijd, houdt het in dat de schijngemeente door het demonische vuur verteerd wordt.
Er wordt geen spoortje licht meer in haar gevonden.

Voor de verzegelden met Gods geest geldt dan:
Moet je door het water gaan – Ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.
Want Ik, de Heer, ben je God,
de Heilige van Israël, je redder
(Jesaja 43:2-3 ged.).

De zeven engelen kondigen de oordelen aan, dat wil zeggen: de scheiding tussen licht en duisternis en ook geven ze het tijdsein ervan aan.
Deze engelen zijn die van de zeven gemeenten, beeld van de gemeente van Jezus Christus van alle tijden en plaatsen.