Openbaring

Openbaring 8:12
Het licht schijnt in de duisternis

De vierde engel blies op zijn bazuin.
Een derde deel van de zon, van de maan en van de sterren werd getroffen, waardoor dat deel verduisterd werd.
Een derde deel van de dag en ook van de nacht was er dus geen licht.

En de vierde engel blies op de bazuin en getroffen werd het derde (deel) van de zon en het derde (deel) van de maan en het derde (deel) van de sterren, zodat werd verduisterd het derde (deel) van hen en de dag niet schijnt (gedurende) het derde (deel) van haar en de nacht evenzo.

De demonen stromen als een grote watervloed (zondvloed) over de aarde, de ongeestelijke religieuze mensheid.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden (zie Openbaring 22:11).
We moeten daarom geen natuurtaferelen verwachten waardoor het aardse bestaan onmogelijk wordt.
Want als echt een derde deel van de zon verduisterd wordt, is er geen natuurlijk leven meer mogelijk.
Ook hier moeten we zoeken naar een geestelijke verklaring.

Het boek Openbaring gaat over de geestelijke wereld.
Op de dag van de Heer wordt de zon van de gerechtigheid verduisterd.
Als de beloften van herstel en luister voor Sion, de gemeente, werkelijkheid worden, wordt hierdoor, in tegenstelling tot de toenemende duisternis, juist het licht van de hemellichamen versterkt.
Dan is het licht van de maan als het licht van de zon en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk.
Op die dag verbindt de Heer de wond van zijn volk en geneest Hij de striemen die het zijn toegebracht
(Jesaja 30:26).

Een natuurlijke uitwerking van deze profetie zal voor het leven op aarde uiteraard rampzalige gevolgen hebben, dus is een geestelijke verklaring de enige logische.
Ook in het enige profetische boek van het nieuwe testament geldt als in Psalm 84:12:
Want God, de Heer, is een zon en een schild.
En ook is van toepassing voor ons:
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God
zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan
en verschijnen aan allen die leven in duisternis
en verkeren in de schaduw van de dood,
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede
(Lucas 1:78).

Van het werkelijkheid geworden woord van God: Jezus Christus, wordt gezegd: … het licht schijnt in de duisternis.
De maan is hiervan dus het beeld, omdat hij het licht van de zon reflecteert in het duister.
In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld … (zie Hebreeën 1:3).

De sterren zijn ook hier weer de engelen.
De betekenis is duidelijk.
De tijd is aangebroken dat bijna niemand meer gered en hersteld kan worden.
Door de enorme afval kan God alleen nog met veel moeite een klein aantal gelovigen bereiken.
Het woord van God: de mens op het niveau van Jezus Christus, wordt niet (meer) geloofd.
Deze lamp gaat net als bij de onverstandige meisjes, door gebrek aan geloof en inzicht, midden in de nacht uit.
Het gevolg is dat ook de engelen, de sterren, niet meer als ondersteunende geesten kunnen fungeren.
Door ongeloof en zonde van de mens worden zij als helpers van de gelovige mens uitgeschakeld.

In Jesaja 59:1-2 vinden we een schets van deze situatie:
De arm van de Heer is niet te kort om te redden,
zijn gehoor niet te zwak om te luisteren –
jullie wangedrag is het
dat jullie en je God uit elkaar heeft gedreven;
door jullie zonden houdt Hij zich verborgen
en wil Hij je niet meer horen.

De demonen schuiven als onweerswolken tussen God en de mens in en hierdoor wordt het Zonlicht verduisterd.
Maar voor de gemeente, die bevrijd is van de geesten van de duisternis, is van toepassing:
De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon,
die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt
(Spreuken 4:18).