Openbaring

Openbaring 8:3-5
Satan valt in zijn eigen zwaard

Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan.
Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen.
De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God.
Toen nam de engel de wierookschaal, vulde hem met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde.
Er volgden donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving.

En (een) andere engel kwam en ging staan op/bij het altaar, hebbende (een) wierookvat gouden; en werd gegeven aan hem reukwerk veel, opdat (het) zou geven met de gebeden van de heiligen alle op het altaar gouden voor het aangezicht van de troon.
En ging omhoog de rook van het reukwerk met de gebeden van de heiligen, uit de hand van de engel, voor het aangezicht van God.
En nam de engel het wierookvat en hij vulde het uit het vuur van het altaar en hij wierp (het) op de aarde.
En er ontstonden stemmen en donderslagen en bliksemflitsen en (een) aardbeving.

Er zijn heilige engelen die voor Gods troon staan (zie Openbaring 8:2) én die onophoudelijk het gezicht zien van de hemelse Vader (zie Matteüs 18:10).
Zij gaan vertrouwelijk met Hem om.
Ook is er sprake van een andere engel, namelijk die van Jezus, van wie gezegd wordt:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten (zie Openbaring 22:16).

Deze is waarschijnlijk dezelfde engel Gabriël die diverse keren door God naar Daniël gestuurd wordt.
Hij moet deze profeet de woorden van God en speciaal de gedachten over de laatste tijd in beelden doorgeven (zie verder Openbaring 5:2 en 10:1).
Opvallend is dat er in Daniël 9:21 bij gezegd wordt: Op de tijd van het avondoffer.
Zo gaat het ook hier over offers die in de laatste tijd - de ‘avond’ van deze ‘dag van de Heer’- aan God door zijn volk gebracht worden.
Deze engel van de Heer bevindt zich in het geestelijke heiligdom.
In zijn hand draagt hij de gouden wierookschaal met het eeuwige vuur van het hemelse brandofferaltaar (zie Leviticus 16:12).

In zijn andere hand verzamelt hij de lof- en dankoffers van de bevrijde en verzegelde zonen van God, samen met de gebeden van de heiligen.
Dan gaat hij bij het gouden reukofferaltaar staan en legt het reukwerk, de wierook erop.
Het is de taak van de hogepriester in het oude Israël om het reukwerk op de gouden wierookschaal te strooien en het mee te nemen achter het voorhangsel of gordijn.
Dit is nu niet meer nodig, want het gordijn is verwijderd en het gouden reukofferaltaar staat rechtstreeks voor de troon van God.

Het vuur van het altaar is het middel om de lof, de dank, de aanbidding en de gebeden van de heiligen als een geurige gift te laten opstijgen naar God.
Het brandofferaltaar waar zijn engel bij staat, beeldt Christus uit als degene die de schuld van de wereld wegneemt.
Zijn engel brengt het begeleidende reukoffer, net als vroeger de aardse hogepriester.
Het wegnemen van de schuld heeft kunnen plaatsvinden doordat het Lam van God in de volheid van de tijd volledig is overgegeven aan het vuur van de verzoeking, de invloed van de demonen.
En Jezus is als overwinnaar uit deze strijd tevoorschijn gekomen.

Ondanks het vuur van de verzoeking, de verleiding en de pressie in deze laatste tijd brengen de bevrijde gelovigen overvloedig lof en aanbidding aan de Vader en aan Jezus.
Dit kunnen ze doen omdat ze de overwinning behalen op hun vijanden.

Dan vult de engel de wierookschaal met vuur van het altaar en deze keer gooit hij het op de aarde.
Vuur, beeld van de demonie, heeft een vreselijke uitwerking op de aardsgerichte religieuze mensheid.
Er volgen donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving, de begeleidende verschijnselen bij werkingen van demonen.
Dezen veroorzaken namelijk een en al intimidatie, gevoel van angst en onzekerheid en een totale ontwrichting in het gedachten- en gevoelsleven van mensen.
Deze onderdrukking is bijzonder zwaar en intensief.
Maar de uitwerking van de demonen op de zonen van God is heel anders dan die op de mensen die de vergeving van hun schuld door Jezus Christus niet accepteren.
De apostel Paulus zegt:
En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt … (Romeinen 5:3).

De gelovigen worden aangespoord om door te zetten.
Want alleen als ze tot het einde toe resoluut vasthouden aan hun eerste vertrouwen, blijven ze verbonden met Christus (zie Hebreeën 3:14).
Zij brengen de Heer overvloedig eer voor de hulp en de bescherming die Hij hen geeft.
Al hun problemen en moeiten maken ze aan Hem bekend en ze danken Hem alvast voor de verhoring van hun gebed, op grond van 1 Johannes 5:15:
En omdat we weten dat Hij naar ons luistert, wat we Hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we Hem gevraagd hebben.

Hoe totaal anders is de uitwerking van de demonie op de aardsgerichte mens.
Er komt angst bij de volken, maatschappij en religieus leven worden ontwricht en het geweld viert hoogtij.
Meer dan ooit zal gemerkt worden dat de autoriteit en het werk van Jezus Christus door middel van de gemeente een scheiding (oordeel) brengen in deze wereld.

In 2 Korintiërs 2:15-16 staat over deze scheiding het volgende:
Wij zijn de wierook die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan.
Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt.

Er is een doop in de heilige geest van God, maar ook een doop in vuur.
Het vuur, bestaande uit de verleiding en de pressie door het rijk van de duisternis, zal laten zien of ons geloof standhoudt.
Matteüs 3:12:
… Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.
We weten dat God uitsluitend licht is en dat dit ‘verbranden’ dus nooit van Hem uitgaat, maar dat het een beeld is van de demonische hitte die de ongehoorzame mensen zal teisteren.

De tijd is aangebroken dat het kaf, dat vroeger zeker een functie heeft gehad, verteerd wordt door het vuur.
Als het koren rijp geworden is, heeft het kaf geen nut meer, het wordt verbrand.
Dan komt ook de scheiding tussen het echte volk van God en de schijngemeente.
Na zijn doop in Gods geest volgt voor Jezus direct de vuurdoop.
Daarna werd Jezus door de geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden (Matteüs 4:1).

Ook de zonen van God worden op eenzelfde manier op de proef gesteld door de verleiding van satan.
Het vuur van het altaar is nodig om het volk van de Heer te zuiveren.
Satan valt op die manier wel in zijn eigen zwaard of in zijn eigen kuil, want juist door de verleidingen worden de gelovigen sterker.
Tenminste zij die goed reageren door de kracht, de wijsheid en de liefde van de geest van God in hen.

Anderen zullen het niet kunnen volhouden en vallen af van hun oorspronkelijke geloof in het plan van God: de mens laten toegroeien naar het evenbeeld van Jezus Christus.
Juist mede door de tegenstand wordt de gemeente zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Joël profeteert over de verschrikkelijke aanvallen vanuit het rijk van de duisternis op Sion, beeld van de gelovigen, dus de gemeente.
Aan het eind vraagt hij: Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de Heer, wie kan die dag doorstaan? (zie Openbaring 2:10).

Petrus zegt:
Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks.
Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt
(1 Petrus 4:12-13).
De gemeente van de laatste tijd gaat door de zee als van glas die vermengd is met vuur (zie Openbaring 15:2).
Zij wordt niet opgenomen vóór de grote onderdrukking, de massale aanval vanuit het rijk van satan.

Maar God zal haar een weg banen door die zee.
Jezus zegt als Hij op aarde is:
Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken en wat zou Ik graag willen dat het al brandde (Lucas 12:49).
Het laatste kan ook als volgt worden vertaald: hoe graag zou Ik zien dat het al achter de rug was!
Strijd is voor niemand een pretje.
Jezus heeft de strijd aangebonden om de mensen te herstellen, te bevrijden en ze deel te laten hebben aan het plan van God.
Satan reageert daar heftig op met zijn vernietigende werk.
Als het bij Jezus zo gaat, zal het bij ons niet anders zijn, want:
Denk aan wat Ik gezegd heb: een slaaf is niet meer dan zijn meester.
Ze hebben Mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen; maar wie zich aan mijn woorden gehouden heeft, zal zich ook aan jullie woorden houden
(Johannes 15:20).

Ook in de tijd van Jezus heeft dit vuur al een dubbele uitwerking.
Want Jezus is gekomen om het oordeel, de scheiding tussen goed en kwaad te brengen.
Wat zijn eigen persoon betreft, begint dit vuur tijdens zijn bediening op aarde te branden.
En aan het eind ervan gaat Hij onder in het vuur.
Want Hij vervolgt zijn uitspraak met:
Ik moet een doop ondergaan en Ik word hevig gekweld (of: ik sta onder zware druk) zolang die niet volbracht is (Lucas 12:50).
Wat zijn eigen wil betreft bidt Hij:
Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan!
Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt
(Matteüs 26:39).
Hij is de eerste die door de zee als van glas, vermengd met vuur is gegaan en die veilig de overkant heeft bereikt.