Openbaring

Openbaring 8:6-7
Het gezag aangetast

De zeven engelen, ieder met een bazuin, maakten aanstalten om erop te blazen.
Toen blies de eerste engel op zijn bazuin.
Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen.
Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen.

En de zeven engelen, hebbende de zeven bazuinen maakten gereed zichzelf opdat zij de bazuin blazen.
En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur gemengd (met) bloed en het werd geworpen op de aarde.
En het derde (deel) van de bomen verbrandde en alle gras groen verbrandde.

Voor het veroveren van Jericho moeten zeven priesters zeven dagen lang om de stad lopen.
Terwijl ze dat doen moeten ze ook op de sjofar blazen.
De muren storten de laatste dag in als de priesters bij de zevende rondgang op de horens blazen.
Zo zijn er nu in de strijd in de geestelijke wereld de zeven engelen van de gemeenten die op bazuinen blazen.
Bij de zevende bazuinstoot storten de muren in van de grote stad, waarvan de geestelijke betekenis Sodom en Egypte is (zie Openbaring 11:8), symbool van de aardsgerichte en wereldgelijkvormige schijngemeente.
Want de strijd gaat tussen de vrouw van het Lam, de stad van God en de hoer, het grote Babylon.

Als de eerste engel zijn opdracht vervult, komt er hagel en vuur.
We kunnen hierbij denken aan de zevende plaag in Egypte.
Hier zien we een geweldig noodweer losbarsten als nooit eerder geweest is, met onweer en bliksem die door de hagelbuien heen flitst (zie Exodus 9:23-24).
Alleen in de provincie Gosen, waar de Israëlieten wonen, hagelt het niet.

Bij de beschrijving van deze plaag is het oude testament weer een schaduwbeeld van de hemelse werkelijkheid.
We hebben al vaker gezien dat vuur het symbool is van de demonen die het leven van de mens aantasten en beschadigen.
De hagel drukt de felheid en de hardheid uit waarmee zij op de mens aanvallen.
Hagel ontstaat door de werking van krachten en spanningen in de lucht.
De hier beschreven hagel is het gevolg van de werking van de demonen waardoor de mens wordt geteisterd.
In Openbaring 16:21 wordt gesproken van hagelstenen die 40 à 60 kg wegen.
Ze zijn zo zwaar als rotsblokken die de Romeinse werpmachines afschieten bij de belegering van een stad.
Het is in geestelijke zin een uitdrukking om de grootte van de wonden en de schade aan te geven die de demonen veroorzaken.

Bloed is beeld van de natuurlijk gerichte mens.
Als hagel en vuur zich met bloed mengen, wijst dit op een totale beïnvloeding van deze mens door de demonen.
Doordat hij geen geestelijk inzicht heeft, wordt hij een gemakkelijke prooi van deze geesten.
Deze vermenging heeft op haar beurt invloed op het aardse leven doordat de aangetaste mens ongerechtigheid openbaart.
Petrus wijst in zijn toespraak op de Pinksterdag op dit samengaan van de onzichtbare en de zichtbare wereld.
Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven
en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook
(Handelingen 2:19).

De rook, begeleidend verschijnsel van het vuur, belet het uitzicht ‘naar boven’ en verstikt zo het geestelijke leven.
Als deze plaag begint, wankelen de ordenende en leidinggevende menselijke geesten.
Bij de schepping van de mens geeft God de mens de opdracht de aarde onder zijn gezag te brengen en over de dieren te heersen (zie Genesis 1:28).
Om dit te kunnen uitvoeren krijgt hij een geest waardoor hij boven alle andere wezens van de aarde komt te staan.
Door de kracht van zijn geest moet de mens de regels van God op aarde handhaven tegenover de ontbindende krachten van chaos en geweld.

Zo ontstaat bij de uitbreiding van het menselijke geslacht een machtige samenbundeling van menselijke geesten die de aarde beheersen en tot ontwikkeling brengen.
Deze ordenende macht heeft lange tijd de wetteloze mens kunnen tegenhouden, maar hij zal uiteindelijk toch moeten wijken.
2 Tessalonicenzen 2:6-7:
Dan weet u ook wat hem nog tegenhoudt en dat hij pas zal verschijnen op de voor hem vastgestelde tijd.
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.

Het vuur, symbool van de geesten van de duisternis of de demonen, tast het gezag van de ordenende menselijke geesten aan.
Het vernietigt hun gezag en macht en het respect dat hun toekomt.
Diverse keren vergelijkt de Bijbel hooggeplaatste mensen in het religieuze of het politieke leven met bomen.
Jesaja profeteert:
Op die dag zal de Heer van de hemelse machten
zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,
tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –,
tegen alle ceders van de Libanon
die zich zo trots verheffen,
tegen de eiken van Basan
(Jesaja 2:12 en13).

Bekend is ook de droom van Nebukadnezar, waarin hij zichzelf ziet als een grote sterke boom.
Maar het vervolg is:
In de beelden die ik in mijn slaap voor me zag, daalde een wachter, een heilige engel, uit de hemel neer.
Hij riep met luide stem: Vel de boom en kap zijn takken, stroop het gebladerte af en verstrooi zijn vruchten, opdat de dieren eronder vandaan vluchten en de vogels opvliegen van zijn takken
(Daniël 4:10-11).
In het ‘genadejaar van de Heer’ blijven alleen de terebinten van gerechtigheid staan (zie Jesaja 61:3).
Bij de eerste bazuin vallen veel leiders in het religieuze en maatschappelijke leven.
Een derde deel van de bomen verbrandt; zij worden dus volkomen onder de voet gelopen, gedemoniseerd.

Tot slot verbrandt al het groene gras.
Juist het jonge geestelijke leven is gevoelig voor de inspiratie door de demonen.
Kinderen (in het geloof) hebben vaak nog niet veel weerstandsvermogen, vooral wanneer ze door hun ‘ouders in de Heer’ nog onvoldoende beschermd (kunnen) worden.
Als een dergelijke ouder niet de wapens van God gebruikt om voor zijn kinderen in de bres te staan, worden dezen gemakkelijk beïnvloed, verleid en overheerst door duistere geesten.

Ook de ‘jonge’ gelovigen in de schijngemeente vallen al bij de eerste stormloop als een gewillige prooi in de handen van de vijand.
Maar tegelijk is er ook voor de ‘jeugd’ in de gemeente een prachtige belofte van Gods geest.
Aan het einde der tijden, zegt God,
zal Ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten
(Handelingen 2:17).
Ouderen in het geloof zullen samen optrekken met hun ‘kinderen’ om samen één volk te zijn voor de Heer.
Als bode zal hij voor God uitgaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer (Lucas 1:17).