Openbaring

Openbaring 9:13
De onberispelijke gemeente

Toen blies de zesde engel op zijn bazuin.
Uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem …

En de zesde engel blies op de bazuin en ik hoorde (een) stem één uit de vier horens van het altaar gouden voor het aangezicht van God.

Bij het blazen van de zesde bazuin komen we voor de tweede keer in de tempel van God bij het gouden reukofferaltaar.
In het oude verbond staat dit altaar in het ‘heilige’, waar zich ook de tafel van de toonbroden en de gouden luchter bevinden.
We doen er goed aan te bedenken dat de tempel en alles wat daarin staat een afbeelding of een (voor-)afspiegeling is van de geestelijke werkelijkheid.
Hebreeën 8:5 ged.:
Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel …

Het brandofferaltaar in de voorhof is het beeld van de mensheid waarvoor Christus zijn bloed gestort heeft om haar zondeschuld te betalen.
Zo heeft ook het reukofferaltaar zijn betekenis.
Het heilige en wat zich erin bevindt, vertegenwoordigt de gemeente van Jezus Christus.
In haar is het licht, uitgebeeld door de altijd brandende luchter.
In het boek Openbaring zien we hoe Christus als de Mensenzoon tussen de zeven luchters staat, een beeld van de zeven gemeenten.
De gemeente verspreidt steeds meer haar licht, wanneer de Heer zijn zuiverend werk in haar doet.

De twaalf toonbroden op de gouden tafel vertegenwoordigen de twaalf stammen van het volk Israël als een eenheid.
In het nieuwe verbond beeldt het brood ook de eenheid uit van het lichaam van Jezus Christus, de gemeente, het geestelijke Israël.
1 Korintiërs 10:17:
Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.

Van het gouden reukofferaltaar stijgt de wierookgeur omhoog.
Zo brengt de gemeente van Jezus Christus haar aanbidding, lofprijzing en gebeden voor de troon van God.

In het oude verbond wordt eens per jaar de verzoeningsrite voltrokken aan de horens van het altaar met het bloed van het reinigingsoffer.
Zie hiervoor Exodus 30:10 en Leviticus 16:18.
De hogepriester doet hierdoor verzoening voor de stammen van Israël.
De geestelijke werkelijkheid is:
Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt, in de voorafbeelding van het hemelse heiligdom, maar in de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit.
Hij brengt daar niet telkens opnieuw het offer van zijn leven;
Hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat en dat met bloed dat niet het zijne is,
want dan zou Hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden.
Nee, Hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen
(Hebreeën 9:24-26).

Het gouden altaar is dus het symbool van de gemeente en het staat in de hemelse tempel vlak voor de ark van het verbond, de troon van God.
Want er is geen gordijn of ‘voorhangsel’ meer dat een scheiding aanbrengt.
Zo bevindt de gemeente zich in de directe nabijheid van God.
Er staat niets tussen haar en God meer in!
Het goud van het altaar, van de luchter en van de tafel van de toonbroden wijst op de heiligheid en de onberispelijkheid van de gemeente.
Zo zijn ook de straten (of het plein) van de geestelijke stad, het nieuwe Jeruzalem, van zuiver goud en schitteren ze als glas (zie Openbaring 21:21).
De gemeente is stralend, zonder vlek en rimpel, heilig en zuiver geworden (zie Efeziërs 5:26-27).

De gemeente op aarde zal in de laatste tijd gaan overeenstemmen met dit hemelse beeld.
Voordat het zover is zal er scheiding moeten komen tussen:
de gemeente en de schijngemeente
de vrouw van het Lam en de hoer en
het volmaakte en het onvolmaakte.

Uit de vier horens van het altaar hoort Johannes een stem.
Deze komt dus uit het midden van de gemeente van alle eeuwen.
Van de gemeente van de laatste tijd kunnen we in verband met het reukofferaltaar zeggen:
Wij zijn de wierook (of: heerlijke geur) die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan.
Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt
(2 Korintiërs 2:15-16).

Door het woord van God dat in de gemeente gebracht en uitgewerkt wordt, ontstaat een duidelijke scheiding met de schijngemeente.
Zo wordt duidelijk wat echt en wat namaak is binnen het christendom
Dit wekt binnen de schijngemeente veel jaloezie, woede en geweld op, wat duidelijk zichtbaar is geworden in de afgelopen eeuwen.
Voor deze gemeente geldt:
Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur … (zie Jesaja 3:24).
In plaats van de luister van God ervaart men hier de verstikkende rook van de misleidende demonen.

De gemeente staat helemaal los van de schijngemeente.
Jezus zegt in Matteüs 18:17:
Als ze naar hen niet luisteren, leg het dan voor aan de gemeente.
Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren, behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.

Uitwisseling van gedachten met mensen die geleid worden door (leerstellingen van) demonen blijft meestal zonder positief resultaat.
Ze zijn zo overtuigd van hun eigen gelijk dat ze totaal niet willen luisteren naar argumenten van anderen, hoe ‘bijbels’ die ook mogen zijn.
Het is bij zulke discussies dan vaak: hete hoofden en koude harten.
Terwijl het in zekere zin juist andersom moet zijn!
Toch blijft voor individuen uiteraard de mogelijkheid om zich daarvan af te keren en zich bij de gemeente te voegen.

Zij trekken weg uit Babel zoals Jesaja in 48:20 dringend adviseert!
Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën!
Verkondig dit met luid gejuich, laat het horen,
laat weten tot aan de einden der aarde:
De Heer koopt zijn dienaar Jakob vrij.