Openbaring

Openbaring 9:14
Wat is de ‘ware kerk’?

… die tegen de zesde engel met de bazuin zei: ‘Maak de vier engelen los die bij de grote rivier de Eufraat gevangenzitten.’

Zeggende aan de zesde engel die had de bazuin: maak los de vier engelen de vastgebonden zijnde bij de rivier grote (de) Eufraat.

De zesde engel met de bazuin krijgt door middel van de gemeente opdracht de vier engelen los te maken die bij de grote rivier de Eufraat vastgebonden zijn of gevangen zitten.
Nog eens geven we aan dat het boek Openbaring aan de gelovigen gegeven is en de ontwikkeling behandelt van de gemeente en de schijngemeente.
In beelden wordt duidelijk gemaakt hoe de eerstgenoemde gemeente de volmaaktheid bereikt.
Daarnaast zien we hoe de schijngemeente bezwijkt onder de aanvallen van de demonen waartegen zij zich niet verweren kan, ja waar ze zelfs bewust mee samenwerkt.

Er is sprake van de Eufraat, een rivier die eenmaal de hof van Eden voorzien heeft van water.
Later is het de rivier waaraan Babylon ligt en waaraan deze vijand van het volk van God zijn rijkdom en welvaart ontleent.
Aan de Eufraat (de grootste rivier van het Midden-Oosten, met een lengte van 2.270 km) zitten de treurende ballingen die van de stad van God en de tempel verdreven zijn.
Psalm 137:1:
Aan de rivieren van Babylon,
daar zaten wij treurend
en dachten aan Sion.

Zoals eerder gezegd, is de hof van Eden in het nieuwe verbond de benaming van de gemeente van Jezus Christus (zie Openbaring 2:7).
In deze gemeente vinden we de Levensboom: Jezus Christus
De leden van de gemeente mogen eten van de vrucht van deze boom en zo worden ze één met het wezen van Christus.
De opdracht aan de gemeente is altijd geweest om een ‘stroom van genade’ over de wereld te laten vloeien tot redding, bevrijding, genezing en geestelijke groei.
Maar we kennen de (kerk-)geschiedenis.
De gemeente wijkt van haar oorspronkelijke, hemelse en heilige roeping af en zij zoekt vooral de grootsheid en de luister in en van de zichtbare wereld.

Duidelijk en scherp heeft de Openbaring het over de hoer als beeld van de verworden gemeente.
In het oude verbond noemen de profeten het ontrouwe en afvallige Israël ook zo.
Ook de gedegenereerde gemeente van het nieuwe verbond wordt hoer genoemd.
Aan de oever van de grote rivier de Eufraat ligt het geestelijke Babylon, de grote stad, de moeder van alle hoeren en van de gruwelijkheden van de wereld (zie Openbaring 17:5).

Deze schijngemeente is er al lang geweest en bestaat ook nu nog wereldwijd!
Ze is een enorm grote stad!
De rivier waaraan ze ligt is een beeld van uiterlijk vertoon, machtswellust en geestelijke misleiding.
In haar vinden we dan ook alles wat in strijd is met de blijdschap van het koninkrijk van God, o.a.:
ernstige plechtigheden, zware (boete)preken, vastgeroeste rituelen, gericht zijn op uiterlijke zaken, zinloze onthoudingen, schoolse wijsheid, ongeestelijke aanbidding, spiritisme, occultisme en veel andere dwalingen.

Vooral de demonische misleiding dat de gelovigen zondaar blijven tot hun dood aan toe, dus geen overwinning kennen op ziekte en zonde, is een van de grootste pijlers van deze grote stad.
Haar inwoners, de gelovigen, blijven dus slaven van de zonde, want wie zondigt is een slaaf van de zonde, zegt Jezus zelf (zie Johannes 8:34).
Het is de schijngemeente die stenen voor brood geeft en die niet wil gaan in de voetsporen van Christus, ondanks dat zij zijn naam draagt.
Dit houdt in dat zij Hem niet volgt naar het doel dat Hij met haar voorheeft: het bereiken van het niveau van de Zoon van God.
Men jaagt er de liefde niet na en men streeft daarbij ook niet naar de gaven van de geest van God (zie 1 Korintiërs 14:1).
Daarom worden door satan gebonden mensen er niet bevrijd, worden zieken er niet genezen en is men in haar niet op zoek naar de waarheid.
Over haar leiders of herders (pastors) zegt de profeet:
Zwakke dieren (= schapen- zie vers 1) hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht – jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld (Ezechiël 34:4).
De liefde, agapè, ontbreekt.

Met Babylon moeten we geen bepaalde kerken of kringen willen aangeven.
We kunnen deze stad niet één op één koppelen aan bestaande religieuze organisaties.
Wel is de invloed van Babylon in veel kerken, kringen en gemeenten duidelijk aan te wijzen.
Wie een gemeente of kerk ‘vals’ of ‘schijn’ noemt zal direct ook zien dat er nog veel echte volgelingen van God deel van uitmaken.
Wie integendeel een bepaalde gemeente of kerk als de ware aanwijst, zal ontdekken dat ook daarin naamchristenen en huichelaars zitten.

Veel gelovigen leven geestelijk nu eenmaal zoals het volk Israël in ballingschap.
De grote profeten als Daniël, Ezechiël en veel andere godsmannen hebben in Babylon geleefd.
Ook nu moeten we vaststellen dat het grootste deel van het volk van God zich altijd nog binnen de muren van deze stad bevindt (vergelijk Openbaring 18:4).

Babylon is geen zichtbare organisatie, maar een systeem van demonische misleiding, waarmee satan het plan van God met de mens wil blokkeren.
Satan wil zelf plaatsnemen op de troon van God en hij doet er dan ook alles aan om te beletten dat de mens op deze troon komt, zoals Gods plan is.

Bij de zesde bazuin komt Babylon onder grote druk te staan en blijft alleen het volk van God over en wordt het apart gezet.
Alles gebeurt zoals de ‘vergelijking van het onkruid tussen de tarwe’ al aangeeft:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

Dan vindt de grote scheiding plaats tussen de gemeente en de schijngemeente.
Het maakt niet uit hoe deze heet:
de ‘alleenzaligmakende kerk’,
de ‘moederkerk’,
de ‘kerk van de Heilige Geest’,
de ‘kerk van Jezus Christus’,
de ‘meest zuivere kerk’,
de ‘gemeente van God’,
de ‘vergadering van gelovigen’,
de ‘pinksterkerk’, enzovoort.

Het is een grote vergissing om te menen dat wat ‘kerkgeschiedenis’ heet, een vervolg is op de ‘Handelingen van de apostelen’!
Deze zogenaamde kerkhistorie gaat vrijwel alleen over het destructieve werk en de demonische daden van Babylon.
Zij is de grote en bekende stad in deze wereld die met de leiders op politiek, cultureel en wetenschappelijk gebied ‘overspel’ gepleegd heeft en dat nog steeds doet.
Ook heeft zij de ongeestelijke mensheid ‘volgegoten’ met haar bedwelmende leringen.
De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht (zie Openbaring 17:2).

En dit terwijl haar opdracht vanaf het begin is geweest: … opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid (zie Efeziërs 3:19).

Maar daarom is de kerkgeschiedenis ook het verhaal van het lijden van de geestelijke ballingen, het échte volk van God.
Veel oprechte gelovigen hebben onder haar invloed gestaan en staan dat nu nog.
Maar God roept op:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Dan gaat het volk van God terug naar zijn eigen land, het koninkrijk van God, om daarin en van daaruit te leven.
De Eufraat, symbool van de leugenachtige leringen en stromingen in de afvallige schijngemeente, stroomt ook nu nog als een grote rivier.
En aan haar oever ligt de metropolis van wereldwijde importantie.

In zijn droom ziet de profeet Zacharia een efa (meelvat) met een loden deksel.
Als dit vat opengaat ziet de profeet hierin een vrouw die de goddeloosheid of de verdorvenheid voorstelt.
Deze vrouw wordt naar het land Sinear of Babylonië gebracht.
Daar wordt voor haar een tempel gebouwd en als deze klaar is, wordt zij daar op haar plaats gezet (zie voor het hele verhaal Zacharia 5:1-11).
Zoals deze vrouw in de efa opgesloten zit, zo zijn ook de vier engelen en met hen de doorwerking van de goddeloosheid, nog gebonden.
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst hij die hem tegenhoudt verdwijnen (2 Tessalonicenzen 2:7).
De wetteloosheid is nu al werkzaam, maar nog niet in al haar gruwelijkheid en kracht.
De vrouw in de efa probeert zich elke keer weer op te richten, maar hij duwde haar terug op de bodem van het vat en sloot het loden deksel (zie Zacharia 5:8).

Bij de zesde bazuin worden de demonen die latent aanwezig zijn, openbaar.
Dan is te zien wie de hoer werkelijk is: zij staat niet in verbinding met de levende God, maar met de machten en krachten van de duisternis.
Als beeld hiervan zit zij op het scharlakenrode beest met de zeven koppen en de tien horens (zie Openbaring 17:3) dat uit de afgrond opkomt.
Deze felrode kleur is favoriet bij de Romeinse heersers, maar in de Bijbel is het de kleur van de zonde (Jesaja1:18: Al zijn je zonden rood als scharlaken …).
Het feit dat de vrouw op het beest zit, geeft de nauwe band aan tussen beiden; de vrouw wordt door het beest gedragen.