Openbaring

Openbaring 9:4-6
Bidden tot Maria en andere ‘heiligen’

Maar, werd erbij gezegd, ze moesten de planten, struiken en bomen ongemoeid laten.
Alleen de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hadden, mochten ze kwaad doen.
Doden mochten ze hen niet, alleen pijnigen, vijf maanden lang; die mensen zouden pijn moeten lijden alsof ze door een schorpioen gestoken waren.
Dan zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden.
Ze zullen naar de dood verlangen, maar de dood vlucht van hen weg.

En er werd gezegd aan hen dat niet zij beschadigen het gras van de aarde, noch enig gewas, noch enige boom, behalve de mensen alleen die niet hebben het zegel van God op de voorhoofden van hen.
En gegeven werd aan hen dat niet zij doden hen, maar dat zij gepijnigd worden (gedurende) maanden vijf.
En de pijniging van hen (was) als pijniging van (een) schorpioen, wanneer hij steekt (een) mens.
En in dagen die zullen zoeken de mensen de dood en niet zij zullen vinden hem.
En zij zullen verlangen (te) sterven en zal vluchten de dood van hen.

Het occultisme is geen zonde van het natuurlijke leven, maar het is een kwaad dat direct in de geestelijke wereld verricht wordt.
Door de zonde van het spiritisme komt de mens rechtstreeks met de demonen uit het rijk van de dood in contact.
Deze geesten komen uit de plaats waar ze gepijnigd worden.
Zij worden daar gevangen gehouden omdat ze gemeenschap met de mens gehad hebben.
De kwelling van een geest bestaat, zoals eerder aangegeven, hierin dat hij geen activiteiten meer kan ontplooien doordat hij onder druk gezet en overheerst wordt.
In de afgrond wordt hij in alle opzichten gehinderd om ook maar iets te kunnen ondernemen.
En dat terwijl iedere geest juist kracht en activiteit is.
Ook komt hij daar onder de heerschappij van de verderver Apollyon.

De eenheid van de demonische legers bestaat niet uit een band van onderlinge liefde, maar uit een perfect doorgevoerd dwangsysteem.
Sommige politieke en religieuze stelsels lijken hier veel op.
Hun kwelling wordt opgeheven als ze uit de afgrond opgeroepen worden en weer van een mens bezit kunnen nemen.
Dan kunnen ze opnieuw, zoals hun karakter is, wetteloosheid ontplooien.
Ze zetten daarom de menselijke geest onder pressie en krijgen op die manier zelf de vrijheid om te doen wat ze willen.
Hun streven en dat van hun leider blijft altijd om via de mens op de troon van God te komen!
2 Tessalonicenzen 2:4 zegt:
Hij (de personificatie van satan) zal alles wat Goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel (de mens) plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.

Als de afgrond boven hen ontsloten wordt, zijn ze als uitgehongerde wilde dieren die losbreken en zich direct op hun prooi storten.
De kwelling die zij zelf in de afgrond ondergaan hebben, brengen zij op hun slachtoffers over.
Die komen daardoor onder immense geestelijke druk te staan, worden depressief en raken geïsoleerd van andere menselijke geesten.

Het zal ons duidelijk zijn dat het aanroepen van gestorven ‘heiligen’ een vorm van occultisme is.
De Bijbel zegt duidelijk dat de ‘in Christus’ gestorven gelovigen geen daadwerkelijk nut meer hebben voor hen die achterblijven.
Daarom schrijft Paulus in Filippenzen 1:24-25:
… anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.
Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt.

Want de gestorven christen valt niet meer onder het domein van de heerser over de wereld (die zonder God leeft): satan.
De gestorvene rust van zijn inspanningen (zie Openbaring 14:13), hij kan dus niets meer voor ons doen.
En wanneer een mens tegen het uitdrukkelijke verbod van God in toch contact met hem zoekt, zal hij in aanraking komen met de demonen, de geesten van de duisternis.
Wie buiten God de Schepper en Jezus Christus om, zich op wat voor manier dan ook op geestelijk terrein beweegt, is of komt onder beslag van satan en zijn handlangers.

In Openbaring 14:9-10 gaat het over deze mens die gedoopt is in de geest van de antichrist.
Deze occultist zal daarvan de vreselijke gevolgen ondervinden, want hij zal in zijn innerlijk worden gepijnigd in vuur en zwavel (de giftige geesten uit de afgrond).

In 2 Korintiërs 5:13 (Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor u) vertelt Paulus dat hij in dienst van God in geestvervoering komt.
Dit brengt hem ‘in de geest’ rechtstreeks tot op de hoogte van de troon van God.
Bij de vijfde bazuin is er sprake van een uitzinnigheid in dienst van de duivel.
De mens komt in trance en zo leert hij de verborgenheden van satan (de afgrond) kennen (zie Openbaring 2:24).

Dan wordt zijn geest hierdoor zo overheerst en onderdrukt dat hij in het vervolg niets nuttigs meer kan doen.
Zoals door de steek van een schorpioen de prooi verlamd wordt, zo wordt zijn geest machteloos door het contact met de demonen.
Bijvoorbeeld verslavende middelen kunnen een manier zijn om in de occulte wereld ervaringen te hebben die naar dezelfde ondergang leiden.
Zij hebben soortgelijke gevolgen voor het geestelijke en natuurlijke leven als het spiritisme.

Ook mensen die ‘geestverruimende’ middelen gebruiken, willen graag de geestelijke wereld binnengaan en daar ervaringen hebben.
Maar ze gaan niet langs de weg die God via Jezus Christus daarvoor beschikbaar heeft gesteld.
In Johannes 10:1 zegt Jezus:
Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.

Ze klimmen op een illegale manier de ‘hemel’ binnen en ze worden daardoor een prooi van de daar aanwezige en werkzame dief en moordenaar: satan.
Dit komt omdat ze de bescherming missen van Gods geest en van de heilige engelen.
Ze betalen hiervoor de prijs met de verwoesting van hun geest, ziel en lichaam.
In de laatste tijd komen mensen door middel van spiritistische seances, door (vooral) oosterse religies en bepaalde chemische middelen in de diepten van het rijk van de dood.
Ze verlangen sterk naar contacten en ervaringen in de geestelijke wereld, maar ze worden door de demonen misleid en bedrogen.

Doordat ze psychisch zo gekweld worden, willen ze uiteindelijk alleen nog maar dood.
De tegenhanger hiervan vinden we in wat Paulus zegt als hij in de gevangenis onder zware geestelijke en lichamelijke druk schrijft:
Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste (Filippenzen 1:23).

Maar de demonen mogen hun slachtoffers niet doden (zie Openbaring 9:5).
Als ze dat doen moeten ze namelijk zelf met hun slachtoffers terug naar de afgrond of de gevangenis.
Van Apollyon mogen ze de mensen zó onder druk zetten, dat dezen in hun leven op aarde al de ontbindende werking van de dood ondervinden.

Deze ‘geesteszieken’ willen in hun wanhoop zelfmoord plegen, maar dat lukt hen niet.
Zij moeten de beker van de ontbinding tijdens hun aardse leven helemaal leegdrinken.
De dood vlucht van hen weg omdat de met hen verbonden geesten weigeren met hun slachtoffers naar het rijk van de dood terug te gaan.
Vijf maanden lang, beeld van een bepaalde tijd, duurt deze verschrikkelijke plaag.
Psychiaters staan machteloos totdat deze golf van bezetenheid verdwijnt zoals zij gekomen is.

Duidelijk zien we dat de slachtoffers van dit geestelijke exces niet vallen onder hen die het merkteken van God op hun voorhoofd hebben.
Niemand van de gelovigen die in Gods geest gedoopt is, zal door deze plaag getroffen worden.
Want zij hebben het inzicht en de kracht om deze over de aardsgerichte religieuze wereld uitzwermende demonen te onderscheiden en te weerstaan.
Het gewas (letterlijk: alles wat groen is) stelt die mensen voor in wie leven is, die dus wel gedoopt zijn in de geest van God, maar die nog beginnen op te groeien.
Zij genieten een speciale bescherming door de heilige engelen (zie Matteüs 18:10).

Ook blijven ze door hun gericht zijn op het plan van God, onbeschadigd.
Tenslotte blijven ook de ‘terebinten of eikenbomen van gerechtigheid’, de zonen van God, onaangetast.
Er wordt gezegd dat zij het zegel of het merkteken van God op hun (geestelijke) voorhoofden hebben, omdat zij door zijn woord en geest vernieuwd zijn in hun denken (zie Openbaring 7:3).