Erfzonde

2. Het plan van de vijand

Het plan van God

Voordat we ons verder bezighouden met de inwerking van de zonde, willen we ons er eerst een juist begrip van vormen hoe en waarvoor de mens geschapen is en in welke sectoren van zijn leven hij kan worden aangevallen.
God schept en ordent eerst de elementen van de aarde, dus van de levenloze schepping.
Dan begint Hij deze dode materie met de levensgeest te verbinden, wat een proces is van een aantal perioden.

Evolutie?

Eerst ontstaat de plantenwereld.
De levensgeest bouwt en onderhoudt de mossen, de bloemen, de heesters en de bomen in eindeloze variatie en geeft ze hun vorm, grootte, kleur en geur.
Ook worden er sappen en vruchten afgescheiden die bij de aard van het gewas passen.
God ziet dan dat deze eerste uitwerking van zijn oneindig rijke creativiteit en gedachten goed is.
Dan gaat Hij over op het scheppen van een hogere levensvorm.
De dierenwereld volgt in haar grote verscheidenheid: vissen, vogels, reptielen, insecten en de zoogdieren van muis tot olifant.
Nadat God in deze schepping voldoende ‘geëxperimenteerd’ heeft en zij zijn goedkeuring kan wegdragen, volgt de mens.
Deze wordt gemaakt naar het beeld van God zelf, dus lijkt hij op Hem.
Het is als bij iemand die overgaat van optellen en aftrekken naar vermenigvuldigen en delen en daarna naar machtsverheffen en worteltrekken, om dan later uit te komen bij het werken met logaritmen en imaginaire getallen.

De uitspraak is en zal altijd zijn:
God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was (zie Genesis 1:31).
De geest heeft het vermogen om de materie levend te maken, haar op te bouwen, er een lichaam aan te geven en dit dan te vermenigvuldigen.
Zowel bij de plant, bij het dier als bij de mens gebeurt dit volgens de eigen aard die God eraan gegeven heeft.
Als gewassen zaad geven en bomen vruchtdragen, heeft de levensgeest van de plant zijn taak vervuld.
Daarna volgt dan het natuurlijke stervensproces.

Ook tegen de dieren wordt gezegd dat zij vruchtbaar moeten zijn en dat er veel van moeten komen.
Maar bij hen is sprake van een hogere levensvorm dan bij planten, want zij zijn levende zielen.
De levensgeest houdt niet alleen het lichaam van het dier levend, maar ook zijn ziel.
Hij kan het lichaam doen functioneren en ook de ziel ontwikkelen, zodat deze buiten het eigen lichaam kennis kan opdoen van dingen die zintuiglijk waarneembaar zijn.
De ziel van het dier kan zich dan ten opzichte van het object van haar waarneming positief of negatief opstellen, het liefhebben of haten, het naar zich toe halen of het verstoten.

De ziel kan ook de dingen buiten het eigen lichaam begrijpen en ermee bezig zijn naar de mate van haar ontwikkeling.
Daarom is er sprake van een gevoelsleven, van een instinct, van verstand en van verlangens.
Als de dieren nakomelingen krijgen, voldoen ze aan hun taak.
Hun lichaam en ziel horen bij de natuurlijke wereld en ze hebben geen hogere opdracht.
Ze zijn geschapen om na kortere of langere tijd weer dode materie te worden, dus om te sterven.

Buiten God om geestelijk bezig zijn

Als God Adam waarschuwt om niet te eten van de ‘boom van de kennis van goed en kwaad’, zegt Hij:
Je mag niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven (zie Genesis 2:17).
Het eten van die boom is een zinnebeeld van het bezig zijn in de geestelijke wereld, buiten God om.
We krijgen dan contact met demonen, waardoor er een scheiding met God ontstaat.
Dus sterven we zowel in geestelijk als later ook in natuurlijk opzicht.

Adam weet dat het hem dan net zo zal vergaan als de dieren in het veld.
Ook hij zal dan in deze cirkelgang terechtkomen, want ook hij is niet meer dan materie als hij geen rekening houdt met wat God zegt.
Hij is dan ongeestelijk en bestemd om weer ‘stof’ te worden, zoals dat geldt voor de flora en de fauna.

Maar de mens als beeld van God kent een verdere ontwikkeling.
De natuurlijke mens moet nog als geestelijk wezen leren en gaan leven.
Dit betekent dat hij zijn plaats ook moet gaan innemen tussen de geesten in de hemelse regionen.
Hij is niet, zoals de flora en de fauna dat zijn, geschapen om te sterven.
Wel geldt voor de man en de vrouw dat zij zich op aarde moeten vermenigvuldigen, maar daarmee houdt hun levensproces niet op.
Ze zijn pas af als zij naar geest, ziel en lichaam bij de geestelijke wereld horen en daar als mens, zoals God bedoelt, kunnen functioneren.

Dan worden er ook geen huwelijken meer gesloten, zoals er staat:
Want bij de opstanding trouwen de mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen in de hemel (Matteüs 22:30).
De Bijbel spreekt van een metamorfose of vormverandering die nodig is, zodat de mens in een andere dimensie kan leven.
Neem bijvoorbeeld een rups die vlinder wordt.
Het diertje komt door deze verandering in een andere levenssfeer terecht, het krijgt met andere wetten of wetmatigheden te maken en het heeft ook andere verlangens dan in zijn vorige bestaan.
Zo heeft de Bijbel het over een opnieuw geboren worden, dus van een volledige verandering van de innerlijke, geestelijke mens.
Zonder dit opnieuw geboren worden, kan niemand het koninkrijk van God zien en er ook niet binnengaan (zie Johannes 3:3-5).

In Romeinen 12:2 staat:
U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van jullie wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.
In de grondtekst staat:
… verander van gedaante of word anders gevormd door de vernieuwing van jullie innerlijk, verstand of gezindheid …

We kunnen ons nu het volgende voorstellen:
Bij de natuurlijke geboorte verlaat het kind de (duistere) moederschoot en komt het als zelfstandig wezentje in een andere omgeving terecht.
Het begint zijn levensloop op aarde en het moet zich daar ontwikkelen tot een volwassen mens.
De ziel kunnen we bij de natuurlijke mens zien als het slechts ten dele ontwikkelde onzichtbare lichaam.
Zij bevindt zich in de duistere sfeer van de heerser over deze wereld.
Bij haar opnieuw geboren worden, wordt zij onttrokken aan de macht van satan en overgebracht naar het rijk van Gods geliefde Zoon (zie Kolossenzen 1:13).

De grote spraakverwarring

In hun onschuldige staat zijn Adam en Eva naakt.
Dit drukt de situatie uit van hun innerlijke mens.
Ze hebben nog geen mantel van de gerechtigheid (zie Jesaja 61:10) en ook niet van de ongerechtigheid.
Want ze hebben nog geen schatten verzameld in de hemel (zie Matteüs 6:20).
Pas als ze gaan zondigen wordt hun ziel bevuild en heeft de profeet Jesaja het over een kleed als van een menstruerende vrouw of als een bezoedeld kleed (zie Jesaja 64:6, ook NBG).
Daarom staat God het niet toe dat Adam en Eva in de geestelijke wereld kunnen leven en zich daar in de verkeerde richting verder ontwikkelen.
Ze mogen nu niet meer eten van de levensboom waardoor zij in de geestelijke sfeer kunnen komen.

Als later de torenbouwers van Babel zich eensgezind inzetten om door occultisme het koninkrijk van de hemel binnen te dringen, staat er:
Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de Heer en wat ze nu doen is nog maar het begin.
Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik
(Genesis 11:6).

Er komt een letterlijke spraakverwarring om deze en verdere pogingen te doen mislukken, (zie vers 17) zodat nergens op aarde afgodendienaars en occultisten nog langer eensgezind kunnen optrekken.
(Opmerking: hoewel de spraakverwarring aan God wordt toegeschreven, lijkt het logischer om de oorzaak te zoeken bij de onderlinge verdeeldheid tussen de demonen die door de occultisten worden opgeroepen).
Dat godsdiensten elkaar bestrijden, begint in Babel.
In de tijd van de antichrist zullen de goddelozen met hulp van de demonen opnieuw eensgezind proberen de heerschappij in de onzichtbare wereld te verkrijgen.
Maar dan zullen de zonen van God, met de heilige engelen, hen overwinnen in het hemelse Harmagedon.
Zie hiervoor verder onder andere Openbaring 19:19.

Zoals bij de geboorte in de natuurlijke wereld een kind in zijn onschuldige staat naakt op de wereld komt, maar daarna kleren aan krijgt, zo is het later ook met zijn innerlijke mens.
Het kind groeit op in het domein van de heerser over deze wereld, onder zijn regiem.
Het gevaar is aanwezig dat het al snel een mantel van de ongerechtigheid gaat weven.
Bij het opgroeien moet dan gezegd worden:
… je wangedrag (of ongerechtigheid) is het dat jou en je God uit elkaar heeft gedreven en door je zonden houdt Hij zich verborgen en wil Hij je niet meer horen (zie Jesaja 59:2).

Zuiver voor God staan

Nadat Jezus onze schuld wegneemt, verdwijnt ons ‘zondekleed’ en verkeren wij voor God weer in een staat van onschuld: wij zijn rechtvaardigen geworden.
Daarom kunnen wij opnieuw geboren worden en een plaats krijgen in de onzichtbare wereld, zoals er staat:
Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus (zie Efeziërs 2:6).
Deze geestelijke werkelijkheid moeten wij geloven en vasthouden en dan kunnen we ons ontwikkelen tot geestelijk volwassenen.
Onze rechtvaardige daden vormen dan het zuiver stralend linnen om ons geestelijke lichaam mee te bekleden en deze bepalen onze geestelijke statuur.
Samen met alle gelovigen mogen wij hieraan werken en zo vormen wij samen met Jezus de bruid van God (zie Openbaring 19:8).

Nadat wij opnieuw geboren zijn, kan ons geestelijke lichaam door ontwikkeling volwassen worden.
Onze ogen moeten opengaan om (geestelijk) te zien en onze oren om (geestelijk) te horen, onze voeten moeten tot ontwikkeling komen om over de hoge (geestelijke) weg te kunnen gaan.
Geestelijke tastzin is nodig om demonen en hun werkingen te kunnen onderscheiden.
Ons verstand moet verlicht worden en onze gevoelens kunnen dan worden opgevoerd tot een onuitsprekelijke, hemelse vreugde.
Als geestelijke mensen ervaren wij dan de vrede, de blijdschap, de gerechtigheid en de kracht van het koninkrijk van God, die heel ons natuurlijke verstand ver te boven gaat.

Als ons innerlijke lichaam, nadat wij opnieuw geboren zijn, de volwassenheid of volmaaktheid bereikt heeft, wordt ons natuurlijke en sterfelijke lichaam ‘geabsorbeerd’ in ons geestelijke lichaam.
Het wordt dan in een ondeelbaar ogenblik veranderd.
Werkelijkheid wordt dan dat het vergankelijke lichaam bekleed wordt met het onvergankelijke en dit sterfelijke met het onsterfelijke.
Deze voltooiing van onze geestelijke groei is dan het moment van de terugkeer (parousie) van de Heer in ons, de gelovigen.
Dan wordt ook de dood opgeslokt en overwonnen (zie 1 Korintiërs 15:50-58).

Transfiguratie in een geestelijk lichaam

Bij de ‘verheerlijking op de berg’ zien we dat Jezus de overwinning van het geestelijke lichaam in een visioen aan zijn leerlingen laat zien.
Hij wordt voor de ogen van zijn leerlingen getransfigureerd, van gedaante veranderd, zodat zijn gezicht straalt als de zon, terwijl zijn kleren wit worden als het licht (zie Matteüs 17:1 en 2).
Zo is het de bedoeling dat ook voor ons gaat plaatsvinden wat staat in 2 Korintiërs 3:18:
Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.

Als de slang tegen Eva zegt: Jullie zullen helemaal niet sterven (zie Genesis 3:4), drukt dit het wezenlijke verschil uit tussen mens en dier.
Want de slang is van nature bestemd om te sterven, terwijl God een hogere bedoeling met de mens heeft.
Bij de zondeval sterft de innerlijke mens, dat wil zeggen dat zijn ziel of zijn innerlijke lichaam zich niet verder ontwikkelt, zij kan niet meer hoger stijgen.
Wel mag de mens zich op aarde vermenigvuldigen, evenals de planten en de dieren.
Het is later slechts een enkeling waarvan gezegd wordt dat hij een ‘hoger leven’ ontvangt in verband met het koninkrijk van God.
Denk aan de getuigen in Hebreeën 11.

Bij zijn sterven gaat de onontwikkelde ziel van de mens met zijn geest niet terug naar de aarde, maar naar het dodenrijk, waar hij bewaard wordt tot de dag van de opstanding.
Maar waar onze ziel zich verder ontplooit, is van dood zijn van onze innerlijke mens geen sprake meer.
Wij zijn dan met Christus (nú al) in het paradijs van God, waar volop geestelijk leven is.
Ook bij ons sterven blijft onze innerlijke mens met Christus verborgen in God; wij zullen de dood(smacht) niet meer zien!
Bij zijn opstanding zal deze levende ziel als geestelijk lichaam opstaan en met Christus terugkomen om zijn taak ook op deze aarde te kunnen vervullen.